In deze blog vind je de basistechnieken die je nodig hebt om te beginnen met haken.

Opzetlus

Voordat je begint met (recht) haken begin je met een opzetlus. Deze lus maak je zonder haaknaald. Sla het draad twee keer om je vinger. Haal het linker draad over het rechter draad, doe dit nog eens en laat dit draad dan van je vinger afglijden. Als het goed is hou je nu nog één draad over op je vinger, dit is je opzetlus. In deze lus kun je je haaknaald steken en beginnen met het maken van losse steken.

Hoe haak je een losse?

Begin met een opzetlus. Houd de opzetlus (en later de losse steek) tussen duim en wijsvinger. Haal het garen over je wijsvinger, zodat het strak staat. Sla het draad om de naald en trek het door de lus op de naald om een losse steek te maken. Herhaal dit een aantal keer, zo ontstaat er een ketting van losse steken.

Hoe haak je een vaste?

Steek je haaknaald in de steek waar je in wilt haken. Sla het draad om de naald en haal het draad door de steek. Je hebt nu 2 lussen op je haaknaald. Sla het draad nog eens om je haaknaald en haal dit door beide lussen. Je hebt nu een vaste gehaakt.

Hoe haak je een stokje?

Sla het draad om je haaknaald en steek je naald door de steek waar je in wilt haken. Sla het draad om de naald en haal het draad door de steek. Je hebt nu 3 lussen op je haaknaald. Sla het draad om je naald en haal dit door de eerste 2 lussen. Sla het draad weer op je naald en haal dit door de laatste 2 lussen. Je hebt nu een stokje gehaakt.

Toeren haken

Bij recht haken werk je altijd van rechts naar links. Begin met een ketting van het opgegeven aantal losse steken. Gebruik de eerste losse steken (het aantal wordt telkens opgegeven) die het dichtst bij de haaknaald als de eerste steek. Op de foto’s hieronder zie je een toer die gehaakt is met stokjes, waarbij de eerste drie losse steken het eerste stokje vormen (zie 1).

Draai na het haken van je eerste toer je werk om. De eerste steek van de volgende toer begin je opnieuw met losse steken, maar let wel op dat je de tweede steek op de juiste plek maakt. (zie 2) Dit doe je in de volgende steek van de vorige toer. De laatste steek maak je boven de losse steek van de eerste steek van de vorige toer (zie 3).

Beginnen met een magische ring

Om rond te haken kun je kiezen om met een magische ring te haken. Met deze magische ring kun je (in tegenstelling tot een ketting met losse steken) je werk strak trekken.

Bij het starten van een magische ring sla je het draad als een x over je wijsvinger. Haal je haaknaald onder het rechter draad door en haal het linker draad met je haaknaald onder het rechter draad door. Je hebt nu een lus op je haaknaald. Sla het draad om je naald en haal deze door de lus. Je hebt nu een magische ring gehaakt.

Bij een haakwerk waarbij je begint met een magische ring staat er vaak: ‘Haak een aantal vasten in de magische ring. De zin zegt het eigenlijk al, steek je haaknaald door de magische ring, sla het draad om je naald en haal het draad door de magische ring. Je hebt nu 2 lussen op je haaknaald. Sla het draad nog eens om je naald en haal het draad door de 2 lussen. Je kunt je haakwerk strak trekken door te trekken aan de korte draad.

Onzichtbaar afhechten

Om de laatste toer netjes af te werken, knip je het garen af (niet te dicht bij het haakwerk, je moet genoeg draad hebben om het netjes weg te werken) en trek je het door de lus van de laatste steek. Haal het uiteinde met een stopnaald door de eerste steek.

Haal het uiteinde dan opnieuw door de laatste steek om een nieuwe steek te maken, of trek het strak tot het niet meer te zien is. Werk het uiteinde weg langs de rand van de ketting.

Aan de slag!

Kun je niet wachten om te beginnen aan jouw eerste haakproject? Bekijk mijn blog welk project het beste bij jou past.

Bol.com AlgemeenBol.com Algemeen